Canon in de klas www.utrechtsecanons.nl
Beeld van Koningin Wilhelmina in de haven van Spakenburg
In haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen (Amsterdam 1959) beschrijft Prinses Wilhelmina de watersnoodramp van 1916 en haar bezoek aan Spakenburg:
'Temidden van alle spanning en ellende, die de om ons woedende oorlog voor ons volk met zich meebracht, kwam in de eerste dagen van 1916 ook nog een grote watersnood ons vaderland teisteren. Felle stormen dreven het water met kracht tegen de Zuiderzeedijk. Van Anna Paulowna en Ewijk tot Spakenburg en Bunschoten bezweken de dijken of werden op vele plaatsen overspoeld. Zelfs Hoogland werd overstroomd en ook Marken liep onder. De bevolking, op zolders en daken gevlucht, bracht angstige dagen en nachten door. Hele stukken huizen verdwenen in enkele ogenblikken in de golven. Alleen per boot waren de noodgebieden nog te bereiken, een wegennet was er niet meer.
De dijken waren verwaarloosd, of wel zij waren niet hoog genoeg. De doorbraken en overvloeiingen ontstonden dáár, waar geen andere, meer binnenwaarts gelegen keringen het water konden tegenhouden.
Noord-Holland liep verder onder dan iemand had kunnen berekenen of vermoeden. Tot aan de Zaan, ja, hier en daar bijna tot aan de duinrand, was Noord-Holland één watervlak. Ook het lager gelegen gedeelte van Utrecht moest het ontgelden. De stormvloed herhaalde zich meer dan eens en dat over het reeds ondergelopen land, dat geheel weerloos lag.
Onze gemobiliseerden bewezen onschatbare diensten bij het redden van mensen en vee. Zij verleenden ook overal hulp met het beschikbaar stellen van militaire voorraden. Ook hielpen zij het dijkleger met het maken van noodwaterkeringen en het versterken van de dijken. Noord-Holland, dat zo'n grote veestapel en zo'n ontwikkeld veehoudersbedrijf bezit, moest met vaartuigen van allerlei aard geholpen worden dit vee in veiligheid te brengen.
Monnikendam bleef aanvankelijk gespaard en de ruime kerk ontving gastvrij paarden en vee, terwijl de bevolking, wonende om de door de watersnood getroffen gebieden, de vluchtelingen gul ontving en onderdak gaf. De doorbraken waren veel te groot en lagen te gevaarlijk om in de winter gedicht te kunnen worden. Men moest zich dus bepalen tot het opwerpen van zeer onvoldoende keringen. De gehele winter bleef de ongerustheid voortbestaan en was de toestand bij stormweer hachelijk.
Onmiddellijk gingen mijn man en ik de toestand in ogenschouw nemen. Wij namen elk verschillende gebieden voor onze rekening, opdat het gehele rampgebied spoedig bezocht zou worden. Wij mochten daarbij geen enkele geteisterde plaats of streek overslaan. Dit overslaan zou op die streek in het oog der bevolking een stempel hebben gedrukt van minder ernstig getroffen te zijn. Het is een algemeen menselijke trek, dat, wanneer er een ramp gebeurt, ieder zich gaarne wil beschouwen als behorende tot de meest ernstig getroffenen.
Ik voer, zonder dat de ondiepte bezwaren opleverde, met een bootje over het anders zo vruchtbare land. Bij de eerste watersnood was Amsterdam enige dagen mijn hoofdkwartier. Zowel om zijn ligging vlakbij het ondergelopen gebied, als om de hulp die Amsterdam aan de vluchtelingen bood. Deze hulporganisatie was geheel geïmproviseerd met veel vrijwillige helpers en helpsters.
Mijn man ging eerst naar Marken, Hoogland, Spakenburg en Bunschoten en regelde daar de hulpverlening van het Rode Kruis. Daarna ruilden wij van gebied en toog ik naar Marken en de andere juist genoemde plaatsen. Marker gemobiliseerden roeiden mij over hun eiland en gaven mij met jeugdig vuur alle inlichtingen.
In Spakenburg en Marken waren in de nacht der verschrikking kinderen geboren op zolder, terwijl de golven met donderend geraas onder de hanebalken van het dak spoelden. De moeders brachten de nacht op één van deze balken door. Ik bood aan peet te staan over deze jonggeborenen. In Spakenburg was het Aartje Wilhelmina Vedder en in Marken Lijsje Wilhelmina van Riel. Toen ik dit voorstel deed, stond mij het voorbeeld van mijn grootvader voor de geest. Jaren tevoren had ik in de levensbeschrijving van mijn grootvader door Bosscha gelezen, dat hij een moeder, die aan haar kind het leven schonk tijdens een dijkdoorbraak, had voorgesteld peet van dit kind te zijn. Ik houd veel van mijn petekinderen en sta nog altijd in relatie met hen.'
Bron: Wilhelmina prinses der Nederlanden, Eenzaam maar niet alleen (Amsterdam 1959) 171-173.
'Het leed, dat de mensen getroffen had, had diepe indruk op mij gemaakt. Iedere keer als ik thuiskwam, hoorde ik des nachts nog het ritme, waarmee de deinende golven deuren en ramen binnenstroomden om het volgende ogenblik weer terug te vloeien, en het geklepper op die maat van de open- en dichtslaande deuren. Duizenden en duizenden huizen was ik zo voorbijgevaren. Op wat eens de straten waren, dreef het huisraad troosteloos rond, ja, alle bezittingen van de bewoners. Met dat beeld voor de geest, ging men zich verwijten zelf in een goed bed en een mooi huis te liggen.
Over die eindeloosheid van nacht en water, over al het leed dat deze duisternis in zich borg, gleed voor mijn geestesoog een zacht, vriendelijk Licht. Voor mij het teken, dat er Eén is, die de Zijnen nimmer vergeet.'
Bron: Wilhelmina prinses der Nederlanden, Eenzaam maar niet alleen (Amsterdam 1959) 175-176.



















