Canon van Ommen  www.canonvanoverijssel.nl

Bedelaarskolonie de Ommerschans

1820

Een weldadige mislukking

Tijd van burgers en stoommachines

"Eerst liepen wij tien minuten door heerlijke rogge en genaakten zoo het gesticht, dat een vrij aangenaam voorkomen heeft, zijnde met boomen hier en daar overschaduwd en op een oude Schans nog met grachten omringd, opgebouwd", schreef de jurist Jacob van Lennep in 1823 over zijn bezoek aan de bedelaarskolonie in de Ommerschans. Op het eerste gezicht leek de landbouwkolonie aan de verwachtingen te voldoen: bedelaars en landlopers uit heel het land verdienden hier een eerlijke boterham door het land te ontginnen en tot goudgele akkers om te vormen. De noeste arbeid bracht de armoedige lieden beschaving bij. Maar de schijn bedroog. Eenmaal binnen de muren van het gesticht troffen Van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp een mensonterende situatie aan vol honger, ziekte en onrecht.

Maatschappij van Weldadigheid

Bedelaarskolonie de Ommerschans kwam voort uit een initiatief van generaal Johannes van den Bosch. Hij richtte in 1818 de Maatschappij der Weldadigheid op, om de armoedige volksklasse van Nederland te helpen door "arbeid, onderwijs en onderhoud te verstrekken en hen tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid op te heffen". Hij stichtte landbouwkoloniën in afgelegen gebieden in Oost-Nederland om armen te werk te stellen. Voor de probleemgevallen van de zogenoemde vrije kolonies richtte de maatschappij in 1819 een strafkolonie in bij de voormalige Ommerschans, in 1822 gevolgd door Veenhuizen. Hier werden ook ‒ in veel grotere aantallen ‒ veroordeelde bedelaars opgevangen. Op de Ommerschans werd in 1820 een bedelaarsgesticht geopend in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 m. Het immense gebouw had 34 zalen voor maximaal 1.500 kolonisten, hoewel in werkelijkheid het aantal tot wel 2.000 opliep. De paupers konden door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Zij ontgonnen het land dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht werd gegeven. Zo kwamen zeventien boerenbedrijven in de omgeving tot stand. Naast ontginningswerkzaamheden en het steken van turf was er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telde onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij.

"Wie niet werkt, zal niet eten"

In de praktijk bleek het stelsel moeizaam te functioneren. Eenmaal in de kolonie was de weg terug naar de maatschappij voor velen een hopeloze onderneming. Het werk was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische situatie uiterst belabberd. Zelfs de kinderen moesten zo hard werken dat ze geen energie voor de avondlessen over hadden. Het basisprincipe "wie niet werkt, zal niet eten" werd letterlijk nagevolgd. Bij hun bezoek in 1823 troffen Van Lennep en Van Hogendorp in een zaal "een akelig uitziend, uitgeteerd mannetje. Deze ongelukkige was oppasser in een der kamers: zijne voeten bevroren door den harden winter en zijne tenen, hem met nijptangen afgedraaid, waren nog niet genezen, waardoor hij voor zijn post ongeschikt zijnde dien verloren had, niet meer werken kon, en dus geen eten meer kreeg." De bewoners in het gesticht kermden van de honger. Door hun zwakke conditie stierven velen aan besmettelijke ziekten. "In een bovenslaapzaal komende, waar enige kolonisten zaten, vroegen wij of het hier de ziekenkamer was; zo ellendig zagen al de bewoners er uit." In een ander vertrek troffen zij een kolonist "dood tegen de deur liggen".

Verschrikkelijke mislukking

Zelfs de verantwoordelijke kapitein van de straf- en dwangkolonie gaf toe dat de situatie onhoudbaar was. Tientallen mensen zaten onschuldig in de kolonie gevangen, omdat ze ten onrechte voor bedelaar waren aangezien. Bepaald zedelijk en beschaafd ging het er niet aan toe. Ondanks de gescheiden afdelingen voor mannen en vrouwen, waren de meeste meisjes zwanger. De kapitein smeekte zijn bezoekers waar mogelijk hun invloed te aan te wenden om de situatie in het gesticht te verbeteren. Uiteindelijk nam het Rijk in 1859, na aanhoudende financiële problemen, de inrichting van de Maatschappij van Weldadigheid over. De kolonie werd in 1890 opgeheven. Aan de rand van het gebied ging men met een opvoedingsgesticht voor ontspoorde jongens verder, het huidige Veldzicht in Balkbrug. Ironisch genoeg is het kerkhof vrijwel het enige wat van de Ommerschans resteert. Hier liggen ongeveer 5.400 kolonisten onder vermelding van hun registratienummer begraven. De dodenakker vormt het tastbare bewijs dat de experimentele bedelaarskolonie de Ommerschans, met een absurd hoog sterftecijfer van meer dan 50 op de 1.000 inwoners, op een verschrikkelijke mislukking was uitgelopen.

       
 

Download

de canonkijker voor
iphone of android
Dikke SteenGrafheuvels en urnenveldenBronsschat OmmerschansDe Hervormde kerkStadsrechtenEerde verwoestStadsmuren"Cruescuele"HanzestadNieuwebrugStadsbrugBissingAlvaHendrikus PetriOmmen in asMuiterijDiender en kleppermanHet LaerVilsterenOproer in OmmenDe Hongerige WolfJoodse begraafplaatsVriendjespolitiekKoninklijk welkomBedelaarskolonieStadspompOude gemeentehuisVan RaalteBoswachterij OmmenDe LelieOmmerkanaalVan PallandtKoffiehuisOude postkantoorCrescendoStoomzuivelfabriekAda's HoeveKrishnamurtiQuakerschoolGrote stille knechtBezetting en bevrijdingConcentratiekamp ErikaANWB-kampLaarbrugZeeheldenbuurtPactonReinier PapingBeschermd BeerzeOmmer markeEiertikken
Overijssel
InfoKaartTijdbalkHome